Mijn naam is Reiger

Hieronymus Bosch (1450-1516) schilderde mij 500 jaar geleden, en ik leid U (lezer) rond op deze site. Op mijn rug draag ik een mars, een rugkorf. 'Heel wat, heb ik in mijn mars'. Als marskramer ga ik van dorp naar dorp om te venten. In de korf is mijn bijbel, en ook het meel voor de poffertjes (brieven) die ik onderweg ga bakken (schrijven). Verder heb ik in mijn mars nagels om pamfletten, en oorkonden (getuigenis, geschrift waaruit men kennis/konde krijgt aangereikt, of waarin kond wordt gedaan, waarin ter kennis wordt gebracht, waarin bekend wordt gemaakt) aan muren en bomen te spijkeren. Mijn staf is mijn houvast (geloof).

 

 

HET EERSTE BOEK DER KONINGEN

De grote droogte

Hoofdstuk 17:1  Aankondiging van de plaag
1 Toen zeide de Tisbiet Elia, uit Tisbe in Gilead, tot Achab: Zo waar de H
ERE, de God van Israël, leeft, in wiens dienst ik sta, er zal deze jaren geen dauw of regen zijn, tenzij dan op mijn woord.

Elia aan de beek Krith,  17:2-6
2 Daarna kwam het woord des H
EREN tot hem: 3 Ga vanhier, wend u oostwaarts en verberg u bij de beek Krith, die in de Jordaan uitmondt. 4 Gij kunt uit de beek drinken, en Ik heb de raven geboden u daar van spijze te voorzien. 5 Daarop ging hij heen en deed naar het woord des HEREN; hij ging verblijf houden bij de beek Krith, die in de Jordaan uitmondt. 6 De raven brachten hem des morgens brood en vlees, en des avonds brood en vlees, en hij dronk uit de beek.

Te Sarfath, het wonder van het meel en de olie 17:7-16
7 Doch na verloop van tijd droogde de beek uit, omdat er geen regen in het land gevallen was. 8 Toen kwam het woord des H
EREN tot hem: 9 Maak u gereed, ga naar Sarfath, dat aan Sidon behoort, en houd daar verblijf. Zie, Ik heb daar een weduwe geboden u te verzorgen. 10 Daarop maakte hij zich gereed en ging naar Sarfath. Toen hij bij de stadspoort kwam, zie, daar was een weduwe bezig hout te sprokkelen. Hij riep haar toe en zeide: Haal mij toch in een kruik een weinig water, opdat ik drinke. 11 Toen zij het ging halen, riep hij haar na en zeide: Breng mij ook een bete broods mee. 12 Daarop zeide zij: Zo waar de HERE, uw God, leeft, ik heb geen broodkoek, maar enkel een handvol meel in de pot en een weinig olie in de kruik. En zie, ik ben bezig een paar stukken hout te sprokkelen. Dan wil ik het thuis voor mij en mijn zoon gaan bereiden, en als wij het gegeten hebben, moeten wij maar sterven. 13 Doch Elia zeide tot haar: Vrees niet, ga het thuis bereiden, zoals gij gezegd hebt, doch bereid mij daarvan eerst een kleine koek en breng mij die hier; voor u en uw zoon kunt gij het later bereiden 14 Want zo zegt de HERE, de God van Israël: Het meel in de pot zal niet opraken, en de olie in de kruik zal niet ontbreken tot op de dag, waarop de HERE regen op de aardbodem geven zal. 15 Daarop ging zij heen en deed, zoals Elia gezegd had, en een tijdlang at zij, evenals hij, en haar huis. 16 Het meel in de pot raakte niet op, en de olie in de kruik ontbrak niet, naar het woord des HEREN, dat Hij door de dienst van Elia gesproken had.

En het meel raakte niet op


De opstanding van de zoon van de weduwe 17:17-24

17 Na deze gebeurtenissen werd de zoon van de vrouw des huizes ziek: ja, zijn ziekte werd zeer hevig, totdat er geen adem in hem overbleef. 18 Toen zeide zij tot Elia: Hoe heb ik het met u, man Gods? Gij hebt bij mij intrek genomen om mijn ongerechtigheid in herinnering te brengen, en te maken, dat mijn zoon sterft. 19 Daarop zeide hij tot haar: Geef mij uw zoon. Toen nam hij hem uit haar schoot, droeg hem naar het bovenvertrek, waar hij verblijf hield, en legde hem op zijn bed. 20 Daarop riep hij tot de H
ERE en zeide: HERE, mijn God! Doet Gij zelfs de weduwe, bij wie ik als vreemdeling vertoef, het onheil aan, haar zoon te laten sterven? 21 Toen strekte hij zich driemaal uit over het kind en riep tot de HERE en zeide: HERE, mijn God! Laat toch de ziel van dit kind in hem terugkeren. 22 En de HERE hoorde naar de stem van Elia, en de ziel van het kind keerde in hem terug, zodat het levend werd. 23 Toen nam Elia het kind, droeg het uit het bovenvertrek naar beneden in huis en gaf het aan zijn moeder. En Elia zeide: Zie uw zoon leeft. 24 Daarop zeide de vrouw tot Elia: Thans weet ik, dat gij een man Gods zijt, en dat het woord des HEREN in uw mond waarheid is.
 

 

 

 

FIRST BOOK OF THE KINGS

CHAPTER 17

Elijah, having prophesied against Ahab, is sent to Cherith, where the ravens feed him
1 And Elijah the Tishbite, who was of the inhabitants of Gilead, said unto Ahab, As the L
ORD God of Israel liveth, before whom I stand, there shall not be dew nor rain these years, but according to my word. 2 And the word of the LORD came unto him, saying, 3 Get thee hence, and turn thee eastward, and hide thyself by the brook Cherith, that is before Jordan. 4 And it shall be, that thou shalt drink of the brook; and I have commanded the ravens to feed thee there. 5 So he went and did according unto the word of the LORD: for he went and dwelt by the brook Cherith, that is before Jordan. 6 And the ravens brought him bread and flesh in the morning, and bread and flesh in the evening; and he drank of the brook. 7 And it came to pass after a while, that the brook dried up, because there had been no rain in the land.
 

"I have commanded the ravens to feed thee there"
 


He is sent to the widow of Zarephath

8 And the word of the 
LORD came unto him, saying, 9 Arise, get thee to Zarephath, which belongeth to Zidon, and dwell there: behold, I have commanded a widow woman there to sustain thee. 10 So he arose and went to Zarephath. And when he came to the gate of the city, behold, the widow woman was there gathering of sticks: and he called to her, and said, Fetch me, I pray thee, a little water in a vessel, that I may drink. 11 And as she was going to fetch it, he called to her, and said, Bring me, I pray thee, a morsel of bread in thine hand. 12 And she said, As the LORD thy God liveth, I have not a cake, but an handful of meal in a barrel, and a little oil in a cruse: and, behold, I am gathering two sticks, that I may go in and dress it for me and my son, that we may eat it, and die. 13 And Elijah said unto her, Fear not; go and do as thou hast said: but make me thereof a little cake first, and bring it unto me, and after make for thee and for thy son. 14 For thus saith the LORD God of Israel, The barrel of meal shall not waste, neither shall the cruse of oil fail, until the day that the Lord sendeth rain upon the earth. 15 And she went and did according to the saying of Elijah: and she, and he, and her house, did eat many days. 16 And the barrel of meal wasted not, neither did the cruse of oil fail, according to the word of the LORD, which he spake by Elijah.

He raiseth the widow´s son, the woman believeth him
17 And it came to pass after these things, that the son of the woman, the mistress of the house, fell sick; and his sickness was so sore, that there was no breath left in him. 18 And she said unto Elijah, What have I to do with thee, O thou man of God? art thou come unto me to call my sin to remembrance, and to slay my son?19 And he said unto her, Give me thy son. And he took him out of her bosom, and carried him up into a loft, where he abode, and laid him upon his own bed. 20 And he cried unto the 
LORD, and said, O LORD my God, hast thou also brought evil upon the widow with whom I sojourn, by slaying her son? 21 And he stretched himself upon the child three times, and cried unto the LORD, and said, O LORD my God, I pray thee, let this child’s soul come into him again. 22 And the LORD heard the voice of Elijah; and the soul of the child came into him again, and he revived. 23 And Elijah took the child, and brought him down out of the chamber into the house, and delivered him unto his mother: and Elijah said, See, thy son liveth. 24 And the woman said to Elijah, Now by this I know that thou art a man of God, and that the word of the LORD in thy mouth is truth.

The Holy Bible, Cambridge University Press 1920 Small Pica
 

 

 

"Je n'ai qu'une poignée de farine dans un jarre"

 

PREMIER LIVRE DES ROIS
La grande sécheresse

Chapitre 17:1  L'annonce du fléau
1 Élie le Tishbite, de Tishbé en Galaad, dit à Achab: "Par Yahvé vivant, le Dieu d'Israël que je sers, il n'y aura ces années-ci ni rosée ni pluie sauf à mon commandement".

Au torrent de Kerit 17:2-6
2 La parole de Yahvé lui fut adressée en ces termes: "Va-t'en d'ici, dirige-toi vers l'orient et cache-toi au torrent de Kerit, qui est à l'est du Jourdain. 4 Tu boiras au torrent et j'ordonne aux corbeaux de te donner à manger là-bas". 5 Il partit donc et il fit comme Yahvé avait dit et alla s'établir au torrent de Kerit, à l'est du Jourdain. 6 Les corbeaux lui apportaient du pain le matin et de la viande le soir, et il buvait au torrent.

A Sarepta. Le miracle de la farine en de l'huile 17:7-16
7 Mais il arriva au bout d'un certain temps que le torrent sécha, car il n'y avait pas eu de pluie dans le pays. 8 Alors la parole de Yahvé lui fut adressée en ces termes: 9 "Lève-toi et va à Sarepta, qui appartient à Sidon, et tu y demeureras. Voici que j'ordonne là-bas à une veuve de te donner à manger.10 Il se leva et alla à Sarepta. Comme il arrivait à l'entrée de la ville, il y avait là une veuve qui ramassait du bois; il l'interpella et lui dit: "Apporte-moi donc un peu d'eau dans la cruche, que je boive!" 11 Comme elle allait la chercher, il lui cria: "Apporte-moi donc un morceau de pain dans ta main!" 12 Elle répondit: "Par Yahvé vivant, ton Dieu! je n'ai pas de pain cuit; je n'ai qu'une poignée de farine dans un jarre et un peu d'huile dans une cruche, je suis ramasse`r deux bouts de bois, je vais préparer cela pour moi et mon fils, nous mangerons et nous mourrons". 13 Mais Élie lui dit: "Ne crains rien, va faire comme tu dis; seulement prépare-m'en d'abord une petit galette, que tu m'apporteras: tu en feras ensuite pour toi et pour ton fils. 14 Car ainsi parle Yahvé, Dieu d'Israël: Jarre de farine ne s'épuisera cruche d'huile ne se videra, jusqu'au jour où Yahvé enverra la pluie sur la face de la terre". Elle alla et fit comme avait dit Élie, et ils mangèrent, elle, lui et son fils. 16 La jarre de farine ne s'épuisa pas, et la cruche d'huile ne se vida pas, selon la parole que Yahvé avait dite par le ministère d'Élie.

 

"Ne crains riens, prépare-m'en d'abord une petit galette"  

 

La résurrection du fils de la veuve.
17 Après ces événements, il arriva que le fils de la maîtresse de maison tomba malade, et sa maladie fut si violente qu'enfin il expira. 18 Alors elle dit à Élie: "Qu'ai-je à faire avec toi, homme de Dieu? Tu es donc venu chez moi pour rappeler mes fautes et faire mourir mon fils!" 19 Il lui dit: "Donne-moi ton fils"; il l'enleva de son sein, le monta dans la chambre haute où il habitait et le coucha sur son lit. 20 Puis il invoqua Yahvé et dit: "Yahvé , mon Dieu, veux-tu donc aussi du mal à la veuve qui m'héberge, pour que tu fasses mourir son file?" 21 Il s'étendit trois fois sur l'enfant et invoqua Yahvé: "Yahvé, mon Dieu, je t'en prie, fais revenir en lui l'âme de cet enfant!" Yahvé  exauça l'appel d'Élie, l'âme de l'enfant revint en lui et il reprit vie. 23 Élie le prit, le descendit de la chambre haute dans la maison et le remit à sa mère; et Élie dit: "Voici, ton fils est vivant." 24 La femme lui répondit: "Maintenant je sais que tu es un homme de Dieu et que la parole de Yahvé dans ta bouche est vérité!"

  

 

 

"Let op de raven, zij zaaien niet en zij maaien niet, zij hebben geen voorraadkamer en geen schuur,
en toch voedt God hen. Hoever gaat gij de vogelen te boven!"

Evangelie volgens Lucas 12:24

 

o
 
Picture met tekst